In het kort: Een laadpaal in een parkeergarage mag, mits u voldoet aan de brandveiligheidseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): laadpunten moeten volgens mode 3 of mode 4 laden, er moet een centrale uitschakelvoorziening zijn en de brandweer moet bij de toegang kunnen zien waar de laadpunten staan. Van een verbod is geen sprake, wel van concrete voorwaarden die u vooraf in het ontwerp meeneemt. Wie dat op tijd regelt, voorkomt vertraging en meerkosten achteraf, vooral bij een bestaande garage met een verouderde elektra-installatie.

Een laadpaal in de parkeergarage is een laadpunt voor elektrische auto's dat is geplaatst in een (deels) gesloten parkeervoorziening, waarbij aanvullende brandveiligheidsregels gelden ten opzichte van laden in de open lucht.

Laadpaal in parkeergarage: wat mag wel en wat moet

Het plaatsen van een laadpaal in een parkeergarage is toegestaan, maar valt onder specifieke bouwregelgeving. Het oplaadpunt moet voldoen aan mode 3 of mode 4 van NEN 1010 (artikel 4.199, lid 2 Bbl). Het verschil is simpel: bij mode 3 hangt de laadkabel vast aan een laadpunt in de garage en communiceert de auto tijdens het laden met dat laadpunt; bij mode 4 gebeurt die communicatie met een snellader die gelijkstroom levert. In een parkeergarage komt vrijwel altijd mode 3 voor, omdat het om gewone laadpunten gaat en niet om snelladers. Door die communicatie tussen auto en laadpunt verloopt het opladen gecontroleerd en worden storingen of oververhitting sneller opgemerkt. Dit volgt uit een combinatie van artikel 5.21d en artikel 4.199, lid 2 van het Bbl. Voor gebouweigenaren en exploitanten is dit vooral een ontwerpvraagstuk: de eisen zijn concreet en uitvoerbaar, geen showstopper, mits ze op tijd in het plaatsingsplan staan.

Wie mag de laadpaal plaatsen en wie is verantwoordelijk?

Bij een parkeergarage die bij een gebouw hoort, ligt de verantwoordelijkheid voor naleving van de Bbl-eisen bij de eigenaar van dat gebouw. De regels over oplaadpunten en leidingdoorvoeren richten zich op de eigenaar van het gebouw waar de parkeerplekken bij horen, omdat die eigenaar meestal ook over de parkeerplekken gaat (IPLO). Bij een VvE ligt die verantwoordelijkheid dus bij de vereniging als geheel, niet bij de individuele appartementseigenaar die een laadpunt wil.

Dat roept een praktische vervolgvraag op: wie betaalt wat? VvE's kunnen een oplaadpuntenadvies laten opstellen, waarin standaard een verdeling van kosten tussen vereniging en gebruikers staat (RVO). Zo'n advies gaat bijvoorbeeld in op de vraag welk deel van de kosten voor rekening komt van de vereniging als geheel, zoals de aanpassing van de hoofdinstallatie, en welk deel per gebruiker wordt doorbelast, zoals het eigen laadpunt en de aansluitkabel. Een veelvoorkomend patroon is dat garages die deze verdeling vooraf schriftelijk vastleggen, minder discussie krijgen zodra de eerste facturen binnenkomen dan garages die dit gaandeweg proberen te regelen. Meer over de kostenverdeling bij een appartementencomplex leest u in laadpaal bij een appartement: kosten, regels en aanpak via de VvE. Voor bedrijfspanden ligt die keuze doorgaans bij de verhuurder of de gebruiker; zie ook wie wat regelt bij een verhuurd bedrijfspand.

De brandweer heeft in dit proces geen formele goedkeuringsrol, maar het is aan te raden hen bij een groot project voor de zekerheid wel om advies te vragen of een brandveiligheidsonderzoek te laten uitvoeren, omdat er enkele specifieke eisen gelden waaraan voldaan moet worden. Voor VvE-besluitvorming over plaatsing en draagvlak is dit een aparte afweging; zie laadinfrastructuur voor VvE's en laadpalen voor VvE's in 2026: regels, techniek en aanpak op een rij.

Waarom brandveiligheid de grootste zorg is bij laadpalen in parkeergarages

De angst voor brand is vaak groter dan het feitelijke risico, maar de wetgever heeft er wel concrete maatregelen aan gekoppeld. Volgens een adviseur risicobeheersing van Brandweer Amsterdam-Amstelland is de brandveiligheid van elektrische auto's minimaal even groot als die van brandstofauto's; het risico zit vooral in de grotere uitdaging voor de brandweer als een accu van een elektrische auto vlam vat (RVO, 2024). Die uitspraak verklaart waarom de regelgeving zich richt op controle en bereikbaarheid, niet op een verbod.

De aangescherpte Bbl-eisen zijn gebaseerd op onderzoek van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV): de brandveiligheidseisen voor parkeergarages zijn aangepast om ze beter af te stemmen op de eigenschappen van moderne auto's (Staatsblad 2022, 360, officielebekendmakingen.nl). Daarom moet een parkeergarage een voorziening hebben die de oplaadpunten tegelijk kan uitschakelen, bijvoorbeeld een handmatige stopknop. Dat geeft de brandweer zekerheid dat er geen elektrische spanning meer op de laadpunten staat. Bij de toegang van de garage moet bovendien staan hoe die voorziening werkt en waar de laadpunten zich bevinden (IPLO).

Een bruikbare vuistregel uit de praktijk: houd het laadsysteem gescheiden van de rest van de elektra-installatie van het gebouw. Een apart centraal systeem voor het laden voorkomt overbelasting van de energievoorziening van de appartementen, en dit systeem kan bij een brandmelding met één druk op de knop worden uitgezet.

Welke eisen gelden voor nieuwbouw, bestaande garages en bedrijfspanden

De eisen verschillen per situatie: nieuwbouw kent de zwaarste verplichtingen, bestaande garages hebben een kostendrempel, en voor bedrijfspanden gelden aparte aantallen laadpunten. Bij verbouw gelden de regels voor laadpunten en leidingdoorvoeren alleen als de kosten daarvan maximaal 7% van de renovatiekosten bedragen bij een ingrijpende renovatie (IPLO, actueel). Deze grens is inmiddels gewijzigd: het percentage van 7% is voor bedrijfspanden vervangen door 10% (Staatsblad 2026, 103).

Sinds 29 mei 2026 gelden nieuwe regels voor laadinfrastructuur bij gebouwen, als gevolg van de implementatie van de Europese EPBD IV-richtlijn, met overgangsrecht voor vergunningaanvragen die daarvoor al waren ingediend (Staatsblad 2026, 103; RVO, juli 2026). Meer over de precieze regels leest u in de uitleg over EPBD IV-regels voor uw gebouw. Voor bestaande bedrijfspanden met meer dan 20 parkeerplaatsen geldt nu al minimaal 1 laadpunt.

SituatieMode 3/4 verplichtCentrale uitschakelvoorzieningBelangrijkste drempelBron
Nieuwbouw parkeergarageJaJaGeen kostendrempel, altijd verplichtBbl art. 4.199 lid 2; IPLO
Bestaande parkeergarage, verbouwingJa, bij verbouw van laadinfraJaKosten laadinfra tot 7% van renovatiekosten (woongebouwen)IPLO; Stb. 2026, 103
Bedrijfspand met >20 parkeerplaatsenJaJa bij een (deels) gesloten garage; niet verplicht bij een volledig open parkeerterreinKosten laadinfra tot 10% van renovatiekostenStb. 2026, 103

Praktische plaatsingskeuzes: positie, load balancing en MID-meting

De belangrijkste keuzes bij plaatsing zijn de positie ten opzichte van de uitrit, het verdelen van beschikbare stroom over laadpunten en het gebruik van een geijkte meter. Als vuistregel geldt: hoe dichter een laadpunt bij de uitrit of een brandtrap staat, hoe sneller de brandweer erbij kan als dat nodig is, en hoe korter de bekabeling die moet worden aangelegd. In een meerlaagse garage is het daarom vaak verstandig om laadpunten te clusteren op de laag die het dichtst bij de uitrit ligt, in plaats van ze verspreid over alle verdiepingen te plaatsen.

De netaansluiting is de fysieke verbinding tussen het gebouw en het elektriciteitsnet: de netbeheerder stelt hiervoor een maximumvermogen vast, en dat vermogen bepaalt hoeveel stroom het gebouw in totaal mag afnemen, voor de laadpunten samen met alle overige elektrische installaties. Load balancing is het automatisch verdelen van de beschikbare stroom over meerdere laadpunten, zodat die netaansluiting niet overbelast raakt. Stel dat een garage meerdere laadpunten heeft die allemaal tegelijk op volle snelheid willen laden, maar de aansluiting van het gebouw dat niet aankan. Load balancing verlaagt dan automatisch het vermogen per laadpunt, zodat de auto's iets langzamer laden, maar de totale stroom nooit boven de grens van de aansluiting komt. Een veelvoorkomend patroon in oudere garages is dat de bestaande aansluiting is gedimensioneerd op de oorspronkelijke functie van het gebouw, zonder rekening te houden met gelijktijdig laden van meerdere auto's; zonder load balancing kan een groep laadpunten die aansluiting dan al bij een beperkt aantal gelijktijdige sessies overbelasten. Dit is vooral relevant in garages waar de netaansluiting al krap is of waar netcongestie speelt.

Voor de afrekening van laadsessies is een MID-meter nodig. Dit is een officieel gekalibreerde meter die exact vastlegt hoeveel kWh (kilowattuur, de eenheid waarin elektriciteitsverbruik wordt gemeten) elke auto heeft geladen, vergelijkbaar met een gekeurde pompmeter bij een benzinepomp. Zonder zo'n meter kunt u laadsessies niet betrouwbaar aan een berijder of eigenaar toerekenen en dus niet goed factureren. Een MID-meter wordt bij oplevering ingeregeld en geregistreerd; in de praktijk blijkt dat het ontbreken van zo'n meter pas echt een probleem wordt zodra een berijder de hoogte van een factuur betwist, omdat er dan weinig is om op terug te vallen. Meer over het verschil tussen meters leest u in de uitleg over MID-gecertificeerde laadpalen. Wie deze keuzes vooraf vastlegt in het plaatsingsplan, voorkomt dat een garage achteraf moet worden aangepast. Voor kantoorpanden met een eigen parkeergarage is de afweging vergelijkbaar; zie ook laadinfrastructuur voor kantoorpanden.

Van ontwerp tot oplevering: houd rekening met een langere doorlooptijd bij bestaande garages

Een eenvoudige uitbreiding met enkele laadpunten op een garage met voldoende capaciteit is doorgaans sneller te realiseren dan een garage waar de bestaande elektra-installatie moet worden aangepast. Het traject bestaat in de praktijk meestal uit een opname van de bestaande situatie en de netaansluiting, een ontwerp waarin brandveiligheid, load balancing en de MID-meter al zijn meegenomen, eventueel advies of overleg met de brandweer bij grotere projecten, de daadwerkelijke installatie en tot slot de oplevering met registratie van de MID-meter.

Een veelvoorkomend patroon is dat vooral de stap waarin de bestaande elektragroep moet worden uitgebreid, de doorlooptijd fors kan verlengen, meer nog dan de installatie van de laadpunten zelf. Dit komt doordat hiervoor eerst een aanvraag bij de netbeheerder nodig is, en die aanvraag kent een eigen doorlooptijd waar de eigenaar van de garage weinig invloed op heeft. Een terugkerend beeld in oudere garages is dat pas tijdens de opname blijkt dat de bestaande schakelkast geen ruimte meer heeft voor een aparte laadgroep, waardoor eerst de kast moet worden aangepast of vervangen voordat de laadpunten zelf geplaatst kunnen worden. Zo'n vervanging van de schakelkast vraagt in de regel aanzienlijk meer voorbereidingstijd dan het plaatsen van de laadpunten zelf, juist omdat daar een aparte aanvraag en planning van de netbeheerder bij komt kijken. Wie dit vroeg in het proces al laat onderzoeken, voorkomt dat een project stilvalt op een onderdeel dat pas bij de installatie aan het licht komt.

Veelgemaakte fouten bij het plaatsen van een laadpaal in de parkeergarage

Een aantal terugkerende fouten leidt in de praktijk vaak tot vertraging of extra kosten.

  • Brandveiligheid pas laat meenemen. Wie de uitschakelvoorziening en de bereikbaarheid voor de brandweer pas na de installatie regelt, moet vaak leidingen of schakelkasten aanpassen. Neem dit al mee in het ontwerp.
  • Geen rekening houden met de netaansluiting. Een veelvoorkomend patroon in oudere garages is dat de eigenaar bij aanvang van het project uitgaat van de gewenste laadsnelheid per auto, terwijl de bestaande elektragroep die capaciteit niet aankan. Zonder load balancing kunnen meerdere laadpunten die tegelijk laden de bestaande aansluiting overbelasten. Dit speelt bijvoorbeeld in oudere garages uit de vorige eeuw, waar de elektra-installatie destijds niet is ontworpen voor gelijktijdig laden van meerdere auto's. Vooraf laten doorrekenen door een installateur voorkomt een dure uitbreiding achteraf, en soms blijkt de bekabeling onder de vloer daarbij lastiger aan te passen dan vooraf gedacht.
  • Verouderde bekabeling hergebruiken. Oude leidingen zijn vaak niet geschikt voor mode 3-communicatie tussen auto en laadpunt, wat storingen kan geven. Deze combinatie van oude vaste bekabeling met de vereiste sturingssignalen van mode 3 leidt in de praktijk vaker tot meldingen en uitval dan bij nieuw aangelegde leidingen. In bestaande garages ligt de bekabeling bovendien vaak onder de vloer, wat het aanpassen ervan kostbaarder en tijdrovender maakt dan bij een lege leidingdoorvoer die al bij de bouw is voorzien.
  • Geen erkend installateur inschakelen. De naleving van de Bbl-eisen ligt bij de eigenaar van de garage, dus bij de vastgoedondernemer, VvE of corporatie zelf. Een gekwalificeerde installateur voorkomt dat eisen worden gemist; zie ook waar u op let bij het kiezen van een installateur.
  • Beheer en facturatie vergeten. Zonder een MID-meter en een beheersysteem is achteraf factureren van laadsessies lastig te onderbouwen. Dit leidt in de praktijk regelmatig tot discussie tussen berijder en eigenaar over het aantal geladen kWh, terwijl een gekalibreerde meter dat geschil in de kern voorkomt.

Wat betekent dit voor de exploitatie van uw laadpalen

Zodra de laadpalen veilig en volgens de regels staan, verschuift de aandacht naar de exploitatie: wie beheert de laadpunten en hoe komt het geld bij de eigenaar terecht. Bij goed beheer ontvangt de eigenaar van de laadpaal elke maand geld voor elke geladen kWh, terwijl de berijder het laadtarief betaalt. Voor de afweging tussen zelf beheren of dit uitbesteden, zie zelf doen of uitbesteden, en voor de exploitatiekant specifiek laadpaalexploitatie voor zakelijke eigenaren. Voor parkeerterreinen en parkeergarages is dit een concrete overweging naast de brandveiligheidseisen; kijk voor de volledige aanpak op de pagina over laadinfrastructuur voor parkeerterreinen en laadpleinen.

Wilt u weten welke aanpassingen uw parkeergarage nodig heeft en wat dat betekent voor de installatie? Vraag een vrijblijvende offerte aan en laat de situatie in kaart brengen.